waar zouden mussen over spreken
zo op mijn schutting daar gezeten
ze lijken wakker en al lang op
goedgemust als het ware, kletsen
zij elkaar de veren van de kop
ik geniet ervan, mijn denken aan
wil weten waar het over gaat

waar zouden mussen over spreken
zo op mijn schutting daar gezeten
ze lijken wakker en al lang op
goedgemust als het ware, kletsen
zij elkaar de veren van de kop
ik geniet ervan, mijn denken aan
wil weten waar het over gaat

tussen alles wat ik denk, draag, schrijf en vraag
liggen al de bloederige reepjes wij
te drogen onder een grote oude scheve schemerlamp
eronder is het er eigeel, handwarm en aangenaam
niet de klamme hand van lange zomerdagen, maar eerder één
van tintelende vingertoppen op een eerste februari-dag
en dat dan vlak nadat je binnenkomt
na net te lang buiten te zijn verbleven
in je veel te dunne versleten jas
de koffie alvast zacht wenkt vanuit de pot
met babyarmpjes waterdamp

hoe grijs dreigt aan de verte
ze fluiten alsmaar zachter,
de vogels, een vlinder buitelt
zoekt blad vast om te schuilen
al drijft de zon hier nog voluit

waar water blijft is zeker
het verdampt, wordt wolken
drijft voorbij of regent over
eindeloze droogte of klam gras
waar liefde blijft blijft raden
het zeurt en schrijnt naar later
ligt maar onverhoopt te waken
tot daar het fris van zomer blijkt
waar jij en ik ooit blijven
kun je zwaluwen slechts vragen
ze zweven dapper over water
en brengen liefde ergens heen

het kan geen toeval zijn – dit nu, hier, wij
vergeten alle luiken af te sluiten
om te waken met de dag – opgestaan, te laat
de garnalen in mijn maag, ze zwommen
met rode pepers en gember traag omlaag
het kan geen toeval zijn – dit ongehaast
de stijve rug, de stramme pas, verstillen
wie er wel is en wie afzag van vandaag
het zal geen toeval zijn dat op het bankje
een driepersoonsdeken warmte gaf en jij
op de buik daar op het gras de letters las
er dichters zaten op matten in het zand
en woorden gaven aan wat juist was

je weet vast al dat kabouters wonen
binnen stammen van de dode bomen
ze hakken daar met de kleine bijlen
de mooiste kamers voor elkaar bijeen
binnen stammen van de dode bomen
blijft het donker, droog en ongezien
branden lampjes van torrenvleugels
op schilderijtjes vol met vergezicht
het zijn de raampjes als het ware
want binnen blijven is een must
de buizerd loert op rode muts
daarom blijven alle deuren dicht

ik droomde over veldbloemen
drukbezocht en immer in bloei
ertussenin kon je zwijgen en kijken
met luie stoelen om op te zitten
en zachte kleden om op te liggen
of je ging lopen langs smalle paden
die je steevast lieten verdwalen
om daarmee thuis te zijn
het was een plek
een plek vol licht, vol lentes
kwetsbaar zacht en nooit te warm
enkel windstil en eindeloos
met appelflap bij rooibosthee
…..koud bier was er helaas niet
ook pikante nootjes ontbraken…
maar er was geen plaats voor klagen
want je was er even samen
met wie je wilde zijn

tegen jezelf aan lopen doodgewoon
de straat zien kruipen en veranderen
in kiezels die klagen van een ooit
tot rul zand halve passen teruggeeft
je klimt op tegen een traag vooruit
een voorbij lonkt door te gaan zitten
tegen niet gelukt en nooit gedaan
en dan weer in eenvoud verdergaan

een lieveheersbeestje kruipt
over mijn broze kootjes
slentert en draalt
alsof verdwaald
ik tel de stippen
en vraag mij af
of ze elkaar herkennen
groeten in voorbijgaan
vechten bij een luis te delen
of negeren net als wij

het is dwars over deze groene leegte
tussen gakkend gans en zilverglans
waar je verkleint voorbij verdwenen
op dat alleen lijkt tussen velen
het grote niets blijkt – alweer vergeten
