Ondertussen

tussen alles wat ik denk, draag, schrijf en vraag
liggen al de bloederige reepjes wij

te drogen onder een grote oude scheve schemerlamp

eronder is het er eigeel, handwarm en aangenaam

niet de klamme hand van lange zomerdagen, maar eerder één
van tintelende vingertoppen op een eerste februari-dag
en dat dan vlak nadat je binnenkomt

na net te lang buiten te zijn verbleven
in je veel te dunne versleten jas
de koffie alvast zacht wenkt vanuit de pot
met babyarmpjes waterdamp

Nat

waar water blijft is zeker
het verdampt, wordt wolken
drijft voorbij of regent over
eindeloze droogte of klam gras
waar liefde blijft blijft raden
het zeurt en schrijnt naar later
ligt maar onverhoopt te waken
tot daar het fris van zomer blijkt
waar jij en ik ooit blijven
kun je zwaluwen slechts vragen
ze zweven dapper over water
en brengen liefde ergens heen

Vandaag

het kan geen toeval zijn – dit nu, hier, wij
vergeten alle luiken af te sluiten
om te waken met de dag – opgestaan, te laat
de garnalen in mijn maag, ze zwommen
met rode pepers en gember traag omlaag
het kan geen toeval zijn – dit ongehaast
de stijve rug, de stramme pas, verstillen
wie er wel is en wie afzag van vandaag
het zal geen toeval zijn dat op het bankje
een driepersoonsdeken warmte gaf en jij
op de buik daar op het gras de letters las
er dichters zaten op matten in het zand
en woorden gaven aan wat juist was

Stop

even stilstaan met eenvoud vervuld
leven zal zich wel ontvouwen
blijven stappen over bestaande paden
of toch eens de andere afslag nemen
even stilstaan, ieder zintuig aan
leven zal zich snel ontvouwen
al lijkt mijn lijf mij aan te kijken
blijkt het wandelen een vlucht te zijn
even stilstaan, laat de twijfel gaan
zie wat stroomt en vliegt en kruipt
zie wat breekt en rot en huilt
luister naar handenvol met vinkenslag
even stilstaan, pak dan je eigen hand
vergeven voelt beter dan ontvangen
je verjaagt luid wat wil vertragen
en graag verschuilt onderhuids
met even stilstaan kom je pas vooruit

Weten

je weet vast al dat kabouters wonen
binnen stammen van de dode bomen
ze hakken daar met de kleine bijlen
de mooiste kamers voor elkaar bijeen
binnen stammen van de dode bomen
blijft het donker, droog en ongezien
branden lampjes van torrenvleugels
op schilderijtjes vol met vergezicht
het zijn de raampjes als het ware
want binnen blijven is een must
de buizerd loert op rode muts
daarom blijven alle deuren dicht

error: De inhoud is beschermd !!