het blijft een eenzijdig lijden
dat alsmaar mij zijn
de vlieg in een web vol weleer
en hoe harder ik probeer
verlost te raken, weer vrij
stil te hangen op de wind
hoe vaker ik verlang
naar kaken vol genade
een zwart zonder vragen
het eind

het blijft een eenzijdig lijden
dat alsmaar mij zijn
de vlieg in een web vol weleer
en hoe harder ik probeer
verlost te raken, weer vrij
stil te hangen op de wind
hoe vaker ik verlang
naar kaken vol genade
een zwart zonder vragen
het eind

ik voel mij vaak alleen en in vrede ermee
loom deinend op een zee vol denken
traag vluchten voor de vragen waar
eenduidig antwoord op zich wachten laat
ik voel mij vaak alleen en denk erbij
met wie ik ook maar spreken wil
dan proosten op het zijn wat leven heet
in deels voldaan en zoveel te willen weten

je mindert meer en meer
meandert soms nog wat
zo bij hoe ik zit en zwijg
mij vermaak in alle tijd
hoe wij slechts konden kijken
vol weten zonder spreken
het delen door er al te zijn
in het besef van ooit voorbij
je mindert meer en meer
zit niet langer in mijn zakken
of aan mijn rug onder jas
jouw hand laat liever los

op een boot zonder zeil, motor of benzine
en roeien met peddels van karton alleen
hoog bovenin een vuurtoren staan
waar kaarsen branden voor de sfeer alleen
willen wandelen maar erachter komen
de spits te zijn in een tafelvoetbalspel alleen
een prachtig verhaal vertellen
op een vermakelijke wijze
in een ruimte vol doven alleen
jarig zijn op de dag dat iedereen
het juist op deze dag te druk heeft
en is vergeten alleen
ergens binnenkomen, net te laat en dan
aangezwegen worden door eenieder alleen
smoorverliefd zwijmelen en
aan niets anders kunnen denken
zonder een wederzijds alleen
geboren worden en sterven
in het besef er voor niets te zijn geweest
alleen

over wegen tussen sterren door
vreet ik mijn eigen zwart wel
slinger onder twijfels – zwijg
trek grenzeloos mijn strepen
dwars en met een bonzend hart
blijkt alleen het ware wat ik ken
dichtbij waar ik het liefste ben
ver van alles en dan overal altijd

zo met mezelf alleen in het leeg
het ver vooruit zonder is geweest
trap ik stilte stuk en lijk ontheemd
daar waar ik zo mijn thuis ben

gebroken vleugels droegen bebloede ogen hoog over
waar ooit de waarheid woonde en nu de huiver waande
hij was zichzelf verloren, verzoop in gapend zwart
en zag slechts hoe men hem vooral erg graag vergat
hij die alsnog verworden was tot de stof
tussen de stenen van zijn zelfgegraven graf
men prikte vingers in de gaten die er vielen
waar de maden voldaan maar volgevreten lagen
je zag de leugens als het ware naar hem staren
dwars door zijn leegte vol van het warm, klam en rot

het blijft bijzonder dat
bij zonder- in het alleen
de tijd vertraagt
elke minuut bewust
koud op je schedel tikt
voor jij hem doorhebt
niets je meer beweegt
bloed stroperig stroomt
kleur stolt tot brakke drab

als ik zit vaak, ineens je hand
de haren langs je nek en erboven
drijven wolken oude dromen
weg, weg ben je alweer
alsof we beiden dood zijn
maar van niets willen weten
stil zitten, wat lezen, verblijven
heb jij dat ook aan jouw kant
van onze plotselinge sterven
dat we zijn zoals voorheen?

je gooit me om, draait mij rond
zet alles stil, slaat nagels in de grond
door mijn kwetsbaar weg te wuiven
er wantrouwen voor te schuiven
en dan ineens te delen wat mij breekt
jij op minder dan je eigen schaduw leek
ik snap je nooit maar blijf je willen weten
laat morgen alles zijn, maar niet vergeten
