het was niet dat ze ons niet zagen
je zag ze denken en het was waar
net als de arenden zweefden we
tussen kussen, kneden en strelen
delen, wachten, kijken en weten
zo’n beetje opgaan in verlegen
de zilverreiger stond zich geduldig
net als wij te laven aan het frislicht
je glom krols in kragen van konijn
de ganzen spraken er schande van
zo met je hand langs mijn verlang
je mijn oor vast straks verklapte

