Dood

de dood huist ook gewoon
waar dit leven woont
huid dwarrelt door de kamer
of de losse haren op je jas

een mug laatst laf platgeslagen
over een pas fris gewitte wand
die slak zo weerloos ingegraven
tussen rubber ribbels van een laars

dan ineens slaat hij ijskoud toe
hoekt je hard neer, totaal verrast
wanneer zij is verdwenen plots
een kale plek naast jouw matras

Snik

huil ik mee
met het gejank van buiten
wat om mij opvalt
enkel raakt op rubberjas

druilerig snikt bloeien
vanuit doorweekte knop
die maar nooit verbreken mag
in teer verlokken

sleept mijn ijdel hopen voort
bedreigt door zware sluier
tot aan fel verlicht gevonden

Waken

in de kleine uren
van de avond
loert dat denken
voor wie luistert
losse knoppen, kruipend
buiten verder lege ruimte
een woord, een beeld of iets geschreven
van dat van toen tot die van ooit
varen tranen over vragen
kil kapot op kale tegels
binnen onverschillig duister
wakend tussen nu en later