Dochter

goedlachs beleef jij de dagen
zie ik jou rode konen dragen
bij wat er op het pad verschijnt

van kleins af aan was jij een boef
een lachebek, kletskous, nimmer droef
iets wat zichtbaar nooit verdwijnt

ik zal voor altijd naast je staan
zoals ik immer heb gedaan
mij heb je tot mijn laatste dag

blijf jij de kleine eigenwijs
op je eigen mooie reis
die je nog beleven mag

vier je leven elk moment
zo puur als je nu bent
met je wonderschone lach

Kamer

in mijn oude kamer ruik ik
de dekens waar ik onder beefde
de engste dromen stil beleefde
over wat ik nog niet wist

las ik uren over ruige oorden
getooide hoofden, moordlustig moordden
bloed spatte om nog natte oren
in mijn oude kamer schuil ik

Toen

Weet je nog hoe vroeger rook
de deken waar de tent van was
over stoelen van de eethoek
en niets anders te beleven
dan samen zijn alleen

Of waar je verstopt zat
zodat niemand je kon vinden
behalve moeder dan
die alles altijd zag

Weet je nog waar je speelgoed stond
met je auto die zo soepel reed
hoog stuiterde op perfecte veren

Het deksel van de koek
even sissen voor het sluiten
want dat moest je destijds
voor altijd verse

Handvast

zo loop ik naast het kind in mij
hij ziet hoe ik toen zag
knijpt in mijn warme arm
vraagt zachtjes
met mijn lach
waar ik nu weer was
ik dacht elders
ergens anders
aan mij en hem voorbij
hoe het ooit was
ongezien, onbeleefd
alles nog zo mooi verpakt
met slechts ongerepte onschuld
waarin je nog stout dromen mag

Thuis

geboren in een huis van tranen
muren dropen een stil verdriet
hield ik mij als klein kind staande
maar echt opbloeien deed ik niet

ik danste fier door elke kamer
sleet kleine teentjes tot aan bot
keek verlangend door kille ramen
naar dichte deur in droevig slot

groeide stilaan tot mooie dame
brak oude banden vol van pijn
houden van ging niet tezamen
met het verlangen mezelf te zijn