bergen slapen niet, ze waken
over wie er tussen takken slaapt
onder stenen droomt, schuilt in holen
ze kijken je aan vanuit de hoogte
er bestaan geen woorden voor
hoe klein en tijdelijk we zijn
tussen dit aloude groots
waar alleen het zwijgen hoort

bergen slapen niet, ze waken
over wie er tussen takken slaapt
onder stenen droomt, schuilt in holen
ze kijken je aan vanuit de hoogte
er bestaan geen woorden voor
hoe klein en tijdelijk we zijn
tussen dit aloude groots
waar alleen het zwijgen hoort

er is niet veel meer over
grote vlakken groen onder grijs
vleugen blauw soms tussentijds
maar wat heb je verder nodig

de drempel houdt mij tegen
hangend tussen schuilen en buiten
rits ik dikke trui tot sluiten
stap dapper door de drab
het voelt als thuis
van kou op de huid
tot aan natte kus
luid zonder luister

ze spelen tikkertje met tonen
zij die in het boven wonen
op takken dansen met het licht
dat wakker schrijft op mijn gezicht

naar oneindig eind verdreven
dragen schouders boven benen
dit vandaag
af en toe wat eten
kauwen op gedacht
lachen om wat was
alsook de traan ontsnapt
dicht tegen eigen ik
schuil ik weggedoken
vragen lamme poten om meer
meer van dit alleen, dit verblijven
vergrijzend nietig blijken

alle ramen netjes afgesloten
geen tocht en toch gevlogen
weggevlucht in onvertogen
onder hagen vol verzwegen blad
wroette jij naar wat er al niet was
wist ik maar waar nu je twijfel zat
schuil nooit in het eigen zacht
jouw breekbare verenpracht
breek uit – zweef op de lach

je kon de wind proeven
ze smaakte naar meer
het zoete tussen vlagen
het zilte van haar klagen
ze leek net als ik te jagen
op die stilte van weleer
vol van onbeleefd altijd

tijd spreidt zich voor mij uit
als een tapijt, er is teveel van blijkt
ik ben blij met dit vrij zo het nu lijkt
er ligt zoveel teveel niet te ontwijken
bulten taken prijken boven broos
ik moet niet zeveren en zeiken
zal er morgen eens naar kijken
mijn brein met wandelen verrijken

de tak naast het blad brak zacht
sappig dras droeg vertraagde pas
tranen dwalen over vale jas
deze nacht behoeft geen ster
vloeit veel te fraai in duister

de beweging in het groene leeg overdreef
grazende paarden over onverharde paden
vossen kropen dwars door gebolde glazen
boze vogels zweefden steeds hoger, boven
het stil overwon met het wijds alle tijd
gaf gul met de gave ons omver te blazen
