het groen van je ogen zal ik bewaren
warm- in de linker binnenzak van de
favoriete warme jas waarin ik schuil
naast het steentje, ooit gekregen
oh – en jouw schitterende lach
die opkomende zon op frisse lentedag
pak ik erbij wanneer de mijne zoek is
als uren huilen met een immer duister
de haren langs je hals of klevend op je rug
zijn voor als de slaap lijkt weg te blijven
ik zal ze grijpen in mijn klamme vuist
en weer voor even oneindig in je drijven

