alleen lijk ik het best te gedijen
vrij te zijn van alsmaar broeden op vragen
terug te gaan naar ver voorbije dagen
ze opnieuw steeds weer af te draaien
de eindes vaak vooral valt mij op
hoe het anders kon en wat dan zou zijn
in samen groeit er onrust als onkruid
aan mijn broze binnenkant vol van schaduw
en hangend aan slechts rafelige randen
lijkt er eenzaam in mij thuisgekomen
welke alles dan lijkt uit te doven
rust zacht zijn hoofd in vaak gebroken

